
Actueel
Werkgever aansprakelijk voor (letsel)schade bij eenzijdig ongeval? Of toch niet?
20-03-2012
Ongeval
Op het moment dat je betrokken raakt bij een (verkeers)ongeval, waarbij sprake is van (letsel)schade zal -om de opgelopen (letsel)schade vergoed te krijgen- eerst duidelijkheid moeten komen over wie aansprakelijk is voor het ongeval. In de meeste gevallen worden de pijlen gericht op de direct betrokkenen, zoals de veroorzaker van het ongeval. Maar in een aantal gevallen biedt de wet ruimte om naast de veroorzaker ook een ander aansprakelijk te houden voor de schade. Zo is de bezitter van een dier in beginsel aansprakelijk voor de schade, die dat dier heeft aangericht en is de ouder aansprakelijk voor de schade, die door zijn of haar kind aan een ander is toegebracht. In gevallen waarbij sprake is van een eenzijdig ongeval (dat wil zeggen dat er maar één verkeersdeelnemer, te weten het slachtoffer, bij het ongeval is betrokken), kan -wanneer het ongeval een gevolg is van een gebrek aan de weg- de wegbeheerder aansprakelijk worden gehouden.
Werkgever in zicht
Een bijzondere en aanvullende zorgplicht rust op de werkgever bij schade van werknemers, die zij in de uitoefening van hun werkzaamheden lijden door een verkeersongeval, waarbij de werkgever niet tekort is geschoten in zijn zorgplicht op grond van artikel 7:658 BW (veiligheid op het werk). In de afgelopen jaren heeft in dergelijke situaties steeds meer een verruiming van de zorgplicht van de werkgever plaatsgevonden, waardoor de werkgever in steeds meer gevallen aansprakelijk was. Zo werd door de Hoge Raad (de hoogste nationale rechter) onder bepaalde voorwaarden aangenomen dat de werkgever aansprakelijk was, omdat deze geen behoorlijke verzekering had afgesloten voor de betreffende werknemer, die in zijn werk als bestuurder van een auto een ongeval overkwam en daardoor letselschade opliep. Niet snel daarna werden fietsers en voetgangers door de betreffende verzekeringsplicht beschermd als zij tijdens hun werk bij een ongeval betrokken raakten, waarbij een of meer voertuigen van een ander, niet zijnde de werkgever, waren betrokken en waardoor zij letselschade hadden opgelopen. Zij konden dan op die manier van de werkgever een vergoeding voor de door hen geleden (letsel)schade krijgen. Ook gold een verzekeringsplicht voor de werkgever ten behoeve van fietsers, die slachtoffer werden van een zogenaamd eenzijdig ongeval. Dat is een ongeval waar geen derden bij zijn betrokken, zoals het uit de bocht vliegen of vallen door opstaande stoeptegels. Kortom, de kring van verkeersdeelnemers voor wie een extra zorgplicht voor de werkgever bestond, werd door de rechter steeds verder uitgebreid.
En soms weer uit het zicht
Recent heeft de Hoge Raad zich over de verzekeringsplicht van de werkgever uitgelaten: het bereik van die verzekeringsplicht is daarbij sterk ingeperkt. Het ging om de vraag of een eenzijdig ongeval van een voetganger, waarbij deze (letsel)schade oploopt ook onder het bereik van de verzekeringsplicht voor de werkgever valt. In die uitspraak ging het om een postbezorgster, die bij of op een oprit van een woning in de winter bij gladheid door ijs en sneeuw was uitgegleden en daardoor (letsel)schade had opgelopen. Voor deze letsel(schade) had zij haar werkgever aansprakelijk gesteld. De Hoge Raad oordeelde dat voor de werkgever geen verzekeringsplicht gold om te voorzien in de nadelige gevolgen van zo`n ongeval. Echter, eerder had de Hoge Raad al eens uitgemaakt dat deze plicht wel gold voor fietsers, die slachtoffer waren van een eenzijdig ongeval. De Hoge Raad gaat thans op de rem staan of beter gezegd houdt de pas in: hij wil geen verdere uitbreiding van de kring van verkeersdeelnemers, waarvoor een verzekeringsplicht in geval van (letsel)schade tijdens werktijd geldt. Hoewel in de kwestie van de postbezorgster in een feitelijke instantie nog moet worden beslist, lijkt het erop dat van de werkgever in de gegeven omstandigheden geen extra verzekeringsplicht wordt verlangd.
Maar wie moet het dan opknappen?
Wat opvalt is dat de Hoge Raad wel constateert dat er goede argumenten bestaan om werknemers verdergaand te beschermen tegen het risico van (verkeers)ongevallen in verband met de uitoefening van hun werkzaamheden. De Hoge Raad ziet hier echter een taak voor de wetgever weggelegd en niet voor de rechter. En wat de wetgever zal doen is op dit moment niet te voorspellen.
De door de Hoge Raad toegepaste zienswijze past bij het uitgangspunt in het aansprakelijkheidsrecht dat eenieder in beginsel zijn eigen schade dient te dragen. Wilt u weten of u uw schade op een derde kunt verhalen? Bots van Ravenhorst Advocaten zoekt samen met u naar die mogelijkheden en staat u met raad en daad bij!
Mocht u vragen hebben over deze materie of te maken hebben met een (letsel)schadekwestie, dan kunt u hierover contact met ons opnemen.
Advocaat: mevrouw mr. W.K. (Wobke) van Briemen
Aanpassing vakantiewetgeving per 1 januari 2012
23-02-2012
Door de nieuwe vakantiewet verandert de verjaringstermijn van vakantiedagen
Een volledig arbeidsongeschikte werknemer bouwde alleen vakantiedagen op over de laatste zes maanden waarin het werk niet werd verricht. Daarmee werd bijvoorbeeld voorkomen dat een werknemer die gedurende twee volle jaren ziek was, vakantiedagen over die jaren opbouwde, die hij in die jaren niet hoefde op te nemen.
Vanaf 1 januari jl. is de beperkte opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte afgeschaft. Nederland moest haar wetgeving aanpassen aan Europese regelgeving, waaruit dat volgde. Zieke werknemers bouwen nu hetzelfde aantal vakantiedagen op als hun gezonde collega’s.
Dit betekent dat een zieke werknemer, die bijvoorbeeld na 1 januari jl. anderhalf jaar ziek is, dertig “wettelijke dagen” opbouwt, in plaats van tien (onder de oude wet).
“Wettelijke dagen” zijn het minimum aantal vakantiedagen, zoals opgenomen in de wet; te weten vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week. Bij een werknemer die vijf dagen werkt, zijn dat er dus 20 per jaar. “Bovenwettelijke dagen” zijn de dagen, die een CAO of die werkgevers boven het wettelijk aantal dagen aan werknemers toekennen.
Het is nu wel zo dat een werkgever een arbeidsongeschikte werknemer kan verplichten om ook tijdens zijn arbeidsongeschiktheid vakantiedagen op te nemen, zodat er vakantiedagen mogen worden afgeschreven als een arbeidsongeschikte werknemer in een warm land aan het strand gaat liggen. De veel kortere vervaltermijn voor wettelijke vakantiedagen geldt voor iedereen, dus voor zieke én gezonde werknemers.
Wettelijke vakantiedagen, die werknemers dit jaar opbouwen, moeten dus vóór 1 juli 2013 worden opgenomen, anders vervallen ze!
Voor de hiervoor genoemde “bovenwettelijke vakantiedagen” blijft wél de vervaltermijn van vijf jaar gelden, maar werknemers en werkgevers mogen afwijkende afspraken maken.
Door de verschillende vervaltermijnen (een half jaar na het jaar van opbouw voor wettelijke dagen en vijf jaar voor bovenwettelijke dagen) wordt de verlofadministratie een stuk bewerkelijker. De werkgever moet bijhouden welke vakantiedagen, op welk moment vervallen.
Dus over vijf jaar heeft men een kaart, waarop dagen staan die over vijf, vier, drie, twee, een en over een half jaar vervallen!
Een verlofkaart is dit jaar nog overzichtelijk (alleen een vervaltermijn van een half jaar of vijf jaar), maar vanaf volgend jaar en daarna, wordt de kaart een volledige excel-sheet!
Verder is nieuw dat vanaf 1 januari jl. eerst de wettelijke vakantiedagen geacht worden te zijn opgenomen waarvoor de korte vervaltermijn van zes maanden geldt en daarna pas de vakantiedagen met een verjaringstermijn van vijf jaar.
De vervaltermijn van een half jaar geldt alleen niet voor de werknemers die redelijkerwijs niet in de gelegenheid zijn geweest vakantie op te nemen.
Mijn advies
Het is heel belangrijk om de werknemers goed te informeren. Maak hen bewust van de nieuwe regeling. Leg de nieuwe afspraken b.v. vast in het personeelshandboek (als dat er is).
Geef de werknemers aan het begin van 2012 een (uitgesplitst) vakantiedagenoverzicht, inclusief de vervaldata.
Tekst: Liesbeth (A.E.) Vos, Gepubliceerd in "het Ondernemersbelang" nr.1, 2012

